Verhalen

Uit de collectie

In De rode loper (1920) van Martin Monnickendam (1874-1943) daalt een dame in avondtoilet statig de trap af, gevolgd door een heer die alle aandacht subtiel naar haar toe trekt. De Amsterdamse schilder bekend om zijn vele Amsterdamse stadsgezichten en interieurtaferelen  speelt hier prachtig met licht en donker. De warme kleuren en het bijna fotografische effect geven het schilderij een bijzondere sfeer. 

Tegelijk blijft het tafereel geheimzinnig: is dit een paleis, een Amsterdams grachtenpand of een theater? De klok wijst middernacht aan, even denk je aan Assepoester.

 

Bron: Vrienden van Martin Monnickendam.

 

Het schilderij hangt prominent in Rienstra’s eetzaal, genoemd naar oud-voorzitter en erelid Frans Rienstra, verantwoordelijk voor de herinrichting in 2016.

In De gedekte tafel (1907) van Joseph-Marius Avy (1871–1925) lijkt het diner nog maar net afgelopen. Het warme lamplicht valt op glazen, bloemen en een haastig verlaten tafel, terwijl op de achtergrond een elegant gekleed paar geruisloos verdwijnt. De scheve stoel verraadt dat het vertrek onverwacht was.

Wie waren zij, en waarom die plotselinge haast? Juist dat raadselachtige maakt het schilderij zo intrigerend.

 

Bron: Jubileumboek IGC (2013)

 

Het werk hangt eveneens in Rienstra’s eetzaal, genoemd naar oud-voorzitter en erelid Frans Rienstra, verantwoordelijk voor de herinrichting in 2016.

“Dan liever de lucht in.”

Dit bijzondere relikwie herinnert aan luitenant-ter-zee Jan Carel Josephus van Speyk, die in 1831 zijn kanonneerboot opblies om niet in Belgische handen te vallen. In de lijst bevindt zich authentiek materiaal van Van Speyk en zijn schip, een tastbaar eerbetoon aan moed, eergevoel en vaderlandsliefde.

 

De oorkonde werd later nagelaten aan De Groote Club Doctrina et Amicitia en maakt tegenwoordig deel uit van de collectie van de Koninklijke IGC.

 

Een klein object, met een explosief verhaal.

Ter gelegenheid van het 60-jarig bestaan van De Industrieele Club in 1973 aanvaardde Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard der Nederlanden het beschermheerschap van de IC, een functie die hij tot zijn overlijden in 2004 zou vervullen. Ter ere van dit beschermheerschap werd een ambtsketen vervaardigd. Na de fusie raakte deze echter verloren, waarna het bestuur een nieuwe keten liet maken door de bekende Amsterdamse edelsmid en beeldhouwer Ab Wouters (1918–1990). Het huidige exemplaar hangt sindsdien als herinnering in de Clubzaal. De schakels van deze keten staan voor de wapens van de provinciën, het wapen van de stad Amsterdam en het wapen van Prins Bernhard. 

Volgens gastheer Frank Swart dronk de prins bij voorkeur rosé-champagne, desnoods aangevoerd uit het koelkastje van zijn chauffeur.

In 2008 werd Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Friso van Oranje-Nassau beschermheer van De Industrieele Groote Club. Na zijn tragische ski-ongeval in 2012 en zijn overlijden in 2013 bleef zijn betrokkenheid bij de club in warme herinnering voortleven.

Ballotage ...

... hoort al bij de Koninklijke Industrieele Groote Club sinds haar ontstaan in de late achttiende eeuw. Wat begon als een manier om gelijkgestemde patriotten bijeen te brengen, groeide uit tot een traditie waarin niet alleen ideeën, maar ook achtergrond en omgangsvormen meetelden.

Die sociale gevoeligheid werd zichtbaar toen begin twintigste eeuw enkele succesvolle industriëlen geen toegang kregen en daarop hun eigen Industrieele Club oprichtten, een sociëteit waar economische daadkracht zwaarder woog dan afkomst.

 

Binnen de Groote Club bleef ballotage daarmee vooral bedoeld om een gezelschap 

bijeen te brengen waarin men het, in stijl en sfeer, aangenaam met elkaar oneens kan zijn. De fusie veranderde overigens niets aan het ballotageproces tradities blijken opmerkelijk flexibeler dan men denkt, zolang ze hetzelfde blijven.

Gepaste kledij 

Binnen de Koninklijke Industrieele Groote Club draait de dresscode minder om kleding dan om traditie en onderling respect. De stropdas na 17.00 uur markeert er de overgang van werk naar ontmoeting en gesprek. 

 

Tegelijk past daarbij ook de geest van Prins Claus, die ooit juist symbolisch zijn stropdas aflegde: etiquette leeft immers niet door strengheid, maar door de betekenis die mensen eraan geven.

Kermis te Laren van Cornelis Vreedenburgh (1880–1946)

Met warme kleuren en een levendige penseelvoering vangt Vreedenburgh de ongedwongen sfeer van het Gooise dorpsleven. Het schilderij ademt de eenvoud en vrolijkheid van een verdwenen tijd en behoort niet voor niets tot de meest geliefde werken onder de leden.

Het Huis met de Hoofden van Jacob Wiggersma (1877-1957) aan de Keizersgracht geldt als een van de fraaiste grachtenhuizen van Amsterdam. Sinds 1622 weerspiegelt het de rijkdom, handelsgeest en culturele bloei van de stad in haar Gouden Eeuw, herkenbaar aan de zes karakteristieke hoofden die de gevel sieren.

Winters gezicht op Rokin van Tinus de Jongh (1885-1942)

Daar, waar nu Gebouw Industria staat, stond ooit een schilderachtig rijtje Amsterdamse huisjes aan het water. Dit verstilde stadsgezicht roept het Amsterdam op van vóór de grote stadsvernieuwing: bruggen, paardenwagens en smalle gevels bepaalden hier het beeld van de oude binnenstad.

Zeilende schepen van Hobbe Smith (1862-1942)

Eeuwenlang was de scheepvaart de levensader van Amsterdam. Over het IJ brachten talloze schepen handel, welvaart en groei naar de stad, een maritieme geschiedenis die in dit beeld nog altijd voelbaar is.

Information icon

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.